De gebeurtenissen rond Ahold die direct aan het rampzalige persbericht van 24 februari 2003 voorafgingen, zijn vanuit ondernemingsrechtelijk standpunt allerminst duidelijk. Hoog tijd om die gang van zaken deskundig en onafhankelijk tegen het licht te houden.

De ondernemingsrechtelijke aspecten van de Koninklijke Ahold-affaire hebben nog weinig aandacht gehad. Essentieel voor de praktijk bij beursgenoteerde ondernemingen is dat komt vast te staan wat in soortgelijke omstandigheden beschouwd moet worden als het geldende materiële recht.

Met name roept de gang van zaken vanaf donderdag 20 februari 2003 de vraag op waarom en op welke rechtsgrond op die bewuste donderdag is afgezien van een persbericht over US Foodservice.

De direct aan het rampzalige persbericht van 24 februari 2003 voorafgaande gebeurtenissen zijn vanuit ondernemingsrechtelijk standpunt allerminst duidelijk. Dit is des te opmerkelijker, omdat daarbij op donderdag 20 februari 2003 niet alleen prominente bankiers en advocaten betrokken waren, maar ook de Autoriteit Financiële Markten (AFM).

Op woensdag 19 februari 2003 wordt het verwachte resultaat bij US Foodservice met 340 miljoen dollar naar beneden bijgesteld. Besloten wordt dit koersgevoelige nieuws overeenkomstig  het Fondsenreglement 'terstond' op 20 februari 2003 te publiceren. Op dringend advies van de uitgenodigde vertrouwelijk geïnformeerde bankiers ziet men er echter van af om het nieuws wereldkundig te maken. De Autoriteit Financiële Markten stemt hier volgens het boek Het drama Ahold van Jeroen Smit mee in: de beurs en de beurspartijen worden niet ingelicht. Daarna volgen er chaotische dagen. De geest is uit de fles en de regie raakt volledig zoek.

De chaos eindigt met het bekende persbericht van 24 februari 2003 en de op last van Amerikaanse advocaten geweigerde toegang voor CEO Cees van der Hoeven in de vroege ochtend van maandag 24 februari 2003, nog voordat het persbericht gereed is. De chief executive officer is niet langer welkom en mag niet meer het woord voeren.

Deze gang van zaken lijkt geen recht te doen aan de wettelijke en statutaire verantwoordelijkheden van de organen van Koninklijke Ahold N.V., het bestuur en de raad van commissarissen. Het persbericht zelf gaat nog steeds ten principale over US Foodservice, maar nu ook over een inmiddels tot stand gekomen miljardendeal met 'een syndicaat van banken'.

De bestaande kredietvoorziening is onder aanpassing van de condities en de dekking vervangen. Uit het persbericht blijkt geen dwingende noodzaak te bestaan om het krediet te vervangen vóór de publicatie van het nieuws.

Weliswaar komen door US Foodservice bepaalde met de banken overeengekomen ratio's in gevaar, maar dit wil nog niet zeggen dat de banken het krediet zomaar abrupt kunnen beëindigen. Daarbij zouden de banken tenminste ook nog gehouden zijn aan de uit het Burgerlijk Wetboek voortvloeiende aanvullende werking van de eisen van redelijkheid en billijkheid.

Voorts zijn de nieuwe krediettoezeggingen blijkens het persbericht (onder het hoofd 'Liquiditeit') onder de gebruikelijke en 'bepaalde additionele' opschortende voorwaarden gedaan en is de continuïteit (door de banken) op maandag 24 februari 2003 niet gewaarborgd.

Nu de kruitdampen wat zijn opgetrokken en hopelijk het ergste leed enigszins is geleden, is het hoog tijd om de gebeurtenissen kort voor 24 februari 2003 deskundig en onafhankelijk ondernemingsrechtelijk tegen het licht te houden, zodat ook niet-juristen, zoals CEO's, CFO's, commissarissen, andere sleutelfunctionarissen en accountants weten waar zij in dergelijke omstandigheden aan toe zijn. Daar ligt een mooie taak voor de universiteiten.

Drs. Ruud H. Veenstra RA heeft een lange staat van dienst als openbaar accountant van grote en internationale ondernemingen (vanaf 1970) en als onafhankelijk accountancyconsultant (vanaf 1992).