Sinds 1 januari 2007 is op gebouwen nog beperkt af te schrijven totdat de bodemwaarde is bereikt. De berekening van deze jaarlijkse afschrijving is onveranderd gebleven. Hiervoor wordt nog steeds aanschafprijs, levensduur en restwaarde in aanmerking genomen.

In het algemeen wordt de restwaarde van een onroerende zaak in ieder geval mede bepaald door de restwaarde van de ondergrond. De Belastingdienst vindt dat voor bepaling van de restwaarde ook rekening moet worden gehouden met een waardestijging van de ondergrond.

Volgens de Hoge Raad hoeft dit alleen als deze waardestijging blijvend en aanmerkelijk is. Van een blijvende waardestijging kan sprake zijn als men verwacht dat bij het einde van het gebruik van het gebouw ook de grond wordt verkocht. Wat precies een aanmerkelijke waardestijging is, is nog niet helemaal duidelijk.

Het gerechtshof in Arnhem deed onlangs een uitspraak over deze aspecten. Een beleggingsmaatschappij kocht in verschillende jaren vier gebouwen. De waarde van de ondergrond steeg met respectievelijk 27, 51, 51 en 159 procent.

De Belastingdienst vond dat met deze waardestijgingen rekening moest houden voor het bepalen van de afschrijving. Volgens het gerechtshof kon de waardestijging van de ondergrond van de eerste drie gebouwen buiten beschouwing blijven, omdat de beleggingsmaatschappij deze pas sinds kort in bezit had.

Het gebouw waarvan de ondergrond met 159 procent in waarde was gestegen, was al acht jaar in bezit. Hierdoor was volgens het hof sprake van een aanmerkelijke en blijvende waardestijging. Helaas formuleerde het hof geen algemene regels in zijn uitspraak. Maar de problematiek rondom de waardestijging van ondergrond is wel verder ingekleurd.

 

Bron: Tijdschrift Financieel Management: Tax Update ism Deloitte