Werk moet voor werknemers en werkgevers weer lonend worden. Dat kan de Nederlandse economie en arbeidsmarkt weer echt vlottrekken. Minder lastendruk voor werkgevers en meer voordeel van werken ten opzichte van een uitkering kunnen de economische groei stimuleren. Aan de vooravond van Prinsjesdag presenteert de ABU (Algemene Bond Uitzendondernemingen) zes voorstellen voor een werkende arbeidsmarkt.

Meer werk, minder lasten. “En dat is misschien wel meer dan ooit noodzakelijk, want nog altijd is de economische groei beperkt en de werkloosheid hoog. Er zijn meer maatregelen van het kabinet nodig om groei te stimuleren”, aldus Jurriën Koops, directeur van de ABU.

1. Zorg voor een goed sociaal stelsel dat past bij de flexibele arbeidsmarkt
Uit onderzoek van TNO (2014) blijkt dat ook de komende jaren de flexibiliseringsbehoefte bij bedrijven blijft toenemen: de flexschil zal in 2020 zijn gegroeid naar 30%. Een steeds grilliger conjunctuur, globalisering en steeds snellere technologische ontwikkelingen maken dat flexibiliteit voor werkgevers een must is. Maar ook voor werknemers is het vaste contract niet meer heilig: zij willen meer vrijheid en een goede balans tussen werk en privé. 

Flexibilisering is een onomkeerbaar proces en dat vraagt om een nieuwe kijk op ons sociale stelsel. Hoe kunnen we opleidingen, hypotheken, sociale-zekerheidsregelingen en pensioenen zo inrichten dat ze voor álle werkenden toegang en voldoende zekerheid bieden? In de toekomst zal het niet meer de vorm van het contract zijn die zekerheid bepaalt. Zekerheid zal veel meer gevonden moeten worden in de snelheid waarmee werknemers transities op de arbeidsmarkt kunnen maken én daarvoor gekwalificeerd zijn. En dus zullen we niet de arbeidsmarkt moeten aanpassen aan het sociale stelsel, maar het sociale stelsel aan de nieuwe realiteit van onze arbeidsmarkt.

2. Maak werk lonend voor werknemers 
Werken moet voor werknemers weer lonend worden, om meer mensen - met name aan de onderkant van de arbeidsmarkt - te laten instromen. Voor uitkeringsgerechtigden is het aanvaarden van werk een risicovolle stap. Omdat ze er financieel weinig op vooruit gaan of er soms zelfs netto op achteruit gaan als gevolg van hogere belastingen en premies, het verlies van huur- en zorgtoeslag, hogere reiskosten of noodzakelijke kinderopvang. 

Deze zogenaamde ‘armoedeval’ is een belangrijk obstakel om meer werk te realiseren. Ook is de uitstroom naar tijdelijk werk nog onvoldoende geaccepteerd en is het schakelen tussen (tijdelijk) werk en uitkering voor betrokkenen onnodig ingewikkeld. Het leidt tot risicomijdend gedrag: men blijft zitten in de uitkering. Het belemmert uitzendorganisaties om uitkeringsgerechtigden snel aan het werk te helpen.

3. Verlaag de werkgeverslasten en beperk de risico’s 
De kosten van arbeid in Nederland zijn hoog en zetten daarmee een rem op het aannemen van personeel. Een betere werking van de arbeidsmarkt en een hogere arbeidsdeelname vragen een gericht overheidsbeleid om de kosten van arbeid terug te dringen. 

Sinds begin jaren ’90 zijn de financiële risico’s voor ziekte en arbeidsongeschiktheid van werknemers neergelegd bij werkgevers, volgens het principe van ‘de vervuiler betaalt’. Inmiddels betreft dat naast twee jaar loondoorbetaling bij ziekte, ook nog eens 10 jaar lang de kosten (WGA) van arbeidsongeschikte werknemers. 
______________________________________________________________________________

Tijd voor een nieuwe job in Finance? Vind honderden topvacatures op Finance.nl. Plaats eenvoudig uw CV en laat u vinden door interessante werkgevers. Versnel direct uw carrière via Finance.nl.
______________________________________________________________________________

Sinds 2014 geldt er ook voor flexibele contracten en uitzendwerk premiedifferentiatie op werkgeversniveau. Weliswaar heeft de wetgeving ertoe geleid dat het beroep op arbeidsongeschiktheidsregelingen is teruggedrongen. Maar de financiële risico’s voor werkgevers zijn inmiddels zo groot geworden, dat ongewenste neveneffecten optreden, zo laten diverse onderzoeken zien. Het leidt tot meer risicoselectie, die vooral kwetsbare groepen op de arbeidsmarkt treft. En - vooral kleinere - bedrijven durven geen personeel aan te nemen of kiezen ongereguleerde flexvormen. 

4. Dring de regeldruk terug 
De overheid heeft zich als doel gesteld om van 2012 tot 2017 de lasten met 2,5 miljard euro te verminderen. VNO-NCW en MKB-Nederland gaven onlangs aan dat de invulling van die doelstelling te traag gaat: de overheid moet ‘meer gas geven’. De ondernemersorganisaties vroegen daarbij om specifieke aandacht voor de uitzendbranche, die bovenmatig wordt getroffen. De kosten van de regeldruk voor de uitzendbranche worden door Panteia (2014) geraamd op ruim 195 miljoen euro per jaar. Dat maakt dat de regeldruk voor de uitzendondernemingen ruim vier keer zo hoog is als voor andere ondernemingen in de zakelijke dienstverlening.

5. Versterk de allocatieve rol van de uitzendbranche
In de in 2012 afgesloten CAO voor Uitzendkrachten wordt uitzendwerk door de sociale partners als dé preferente vorm van flex aangemerkt. De waarde ligt niet alleen in de allocatieve rol, het matchen van vraag en aanbod. Uitzendwerk is ook de opstap naar werk voor mensen die moeilijk aan de slag komen, zoals jongeren zonder startkwalificatie, ouderen en langdurig werklozen. 

Uitzenden is ook een belangrijke banenmotor voor de komende jaren. Toch vormt uitzendwerk op dit moment slechts zeven procent van alle flexibele arbeidsrelaties en nog geen 2,3 procent van werkend Nederland. Om ongereguleerde vormen van flex verder terug te dringen, zal uitzendwerk als preferente vorm van flex de ruimte moeten krijgen. Dat betekent dat er een eind moet komen aan prijsopdrijvende lastenverzwaringen en aan tal van uitzendbeperkende maatregelen die de arbeidsmarkt eerder kwaad dan goed doen. Zo worden in honderden cao’s eisen gesteld aan het maximumaantal in te zetten uitzendkrachten, wordt een maximumduur voor plaatsing bepaald of is er de verplichting dat na een uitzendperiode een vaste baan moet volgen. 

6. En wat creëert nog meer banen?
De afgelopen jaren zijn een aantal voorstellen geformuleerd, die nooit in daden zijn omgezet, maar wél een bijdrage kunnen leveren aan meer werk. We noemen er hier twee:

Creëer een voorportaal voor de WW en gebruik een deel van de WW-premie als ‘transitiepremie’ 
Het is belangrijk om meer prikkels in te bouwen om te voorkomen dat mensen werkloos worden. Vacatures worden niet gevuld door een negatieve prikkel als premiedifferentiatie. Vandaar het voorstel om in bepaalde sectoren met veel WWinstroom een voorportaal voor de WW te creëren. Een deel van de WW-premie zou als ‘transitiepremie’ in de ontwikkeling en opleiding van mensen kunnen worden geïnvesteerd, waardoor hun kansen op de arbeidsmarkt verbeteren. Ook kunnen mensen omgeschoold worden voor andere sectoren, waar schaarste aan personeel is. De uitzendbranche kan hierbij een belangrijke rol spelen.

Stimuleer de lokale markt voor particuliere dienstverlening 
Met een goedwerkende markt voor particuliere dienstverlening kunnen particulieren werk thuis of buitenshuis tegen een voordelig tarief laten uitvoeren. Het gaat dan om bijvoorbeeld huishoudelijk werk, strijken, boodschappen doen of het vervoer van personen met een handicap. Uit onderzoek van de commissie Kalsbeek blijkt dat de ontwikkeling van een markt voor dienstverlening aan huis 45.000 fulltime arbeidsplaatsen kan realiseren ten koste van arbeidsplaatsen in het zwarte circuit. De ABU roept gemeenten op lokaal te gaan experimenteren. En de uitzendbranche speelt daarbij graag een rol.