Deelnemingsvrijstelling niet langer van toepassing op kleiner belang

Tot 1 januari 2007 was de zogenoemde 'deelnemingsvrijstelling' voor een aandeelhouder niet alleen van toepassing op een aandelenbezit van vijf procent of meer in een dochtermaatschappij (een deelneming). Hierover bericht Horlings Belastingadviseurs.

De deelnemingsvrijstelling gold voorheen ook voor kleinere belangen. Het aanhouden van het aandelenpakket moest dan wel in de lijn van de normale bedrijfsuitoefening liggen. Een dergelijk kleiner belang wordt ook wel een ‘oneigenlijke’ deelneming genoemd.

Per 1 januari 2007 is de regeling van de deelnemingsvrijstelling gewijzigd en geldt deze alleen nog indien sprake is van een aandelenbezit van vijf procent of meer in de dochtermaatschappij. De vijf procent-grens is dus een 'harde' grens geworden.

Voor per 1 januari 2007 bestaande oneigenlijke deelnemingen is destijds een overgangsregeling getroffen. Hierop bleef gedurende drie jaren (dus tot 1 januari 2010) de deelnemingsvrijstelling van toepassing. Deze overgangsregeling vervalt dus binnenkort. .

Indien u een belang bezit, dat als oneigenlijke deelneming kwalificeert, is het raadzaam om na te gaan of het mogelijk is de ondernemingsstructuur zodanig aan te passen dat de deelnemingsvrijstelling op dat belang van toepassing blijft. Mocht een dergelijke aanpassing niet mogelijk zijn, dan dient de waarde van het belang op het overgangstijdstip zorgvuldig te worden vastgesteld, teneinde te voorkomen dat bij toekomstige verkoop ten onrechte belasting wordt betaald over een deel van de verkoopopbrengst.