In het besluitvormingsproces voor een IPO spelen vele overwegingen mee. Een daarvan is welke beurs en in welk land. Ook voor reeds beursgenoteerde bedrijven is de keuze van de beurs een actueel punt.

Terwijl politiek Den Haag dezer dagen moord en brand schreeuwt over de leegloop van ‘corporate Nederland’ en het verdwijnen van bedrijven op Euronext Amsterdam, zijn er ook verschillende ondernemingen die sinds 2005 de weg naar Beursplein 5 weer hebben gevonden. Wavin, SNS Reaal en TomTom zijn hiervan de meest bekende, maar ook kleinere ondernemingen zoals AMT en Oncomethylome hebben de stap genomen.

Desondanks bevindt Nederland zich in de achterhoede wat het aantal beursgangen betreft. Met name in Latijns-Amerika en Azië liep het de eerste zes maanden van dit jaar storm, maar ook in de landen om ons heen zijn er meer beursgangen geweest. Alleen al aan de beurs in Oslo zijn er dit jaar meer dan 35 nieuwe ondernemingen bij gekomen.

Maar niet getreurd, dat kunnen we nog inhalen. Er zijn momenteel verschillende Nederlandse bedrijven die werken aan een notering en andere die dat serieus overwegen. De huidige malaise en onzekerheid in de kredietmarkten heeft echter ook zijn weerslag op de aandelenmarkten en dat dwingt bedrijven om de aanstaande plannen nog eens goed te overdenken.

In het besluitvormingsproces voor een IPO spelen vele overwegingen mee. Een daarvan is welke beurs en in welk land. Voor veel bedrijven is deze keuze eenvoudig. De plaats van de statutaire zetel, de locatie van het hoofdkantoor of simpelweg daar waar de meerderheid van de activiteiten is. Ook regelgeving speelt de laatste jaren een steeds grotere rol.

De verplichte onderwerping aan bijvoorbeeld Sarbanes-Oxley bij een notering in de Verenigde Staten is voor veel ondernemingen reden genoeg om daar weg te blijven.

Een ander aspect dat zwaar mee weegt in de beurskeuze is de additionele exposure die een onderneming verwacht te krijgen via een notering. Voor veel ondernemingen is een grotere naamsbekendheid immers een belangrijke reden om een plaats in het publieke theater te ambiëren. Een grotere exposure is echter niet eenvoudig te definiëren, kwantificering is nog moeilijker.

Bovendien moet je hierbij onderscheid maken tussen de verschillende doelgroepen, zoals investeerders, bestaande en potentiële klanten (notering dient ook als kwaliteitskeurmerk), bestaande en nieuwe werknemers, maar natuurlijk ook het algemeen publiek domein. Communicatie met deze doelgroepen verloopt voor een belangrijk deel via de media en de brokers. Het is dus cruciaal om goede relaties te hebben met deze communicatie-intermediairs om voldoende en kwalitatief goede exposure te genereren.


EXPOSURE
Ondernemingen die een beursgang ambiëren, zouden bovenstaande goed in overweging moeten nemen bij de keuze van de beurs. Met name kleinere ondernemingen, die toch vaak harder moeten werken om de gewenste exposure te krijgen, moeten goed nadenken of ze kiezen voor een notering aan een grotere beurs zoals LSE (of AIM) met het risico dat ze wegvallen in de massa, of besluiten tot een notering aan Euronext Amsterdam (of Alternext).

De praktijk wijst bijvoorbeeld duidelijk uit dat het voor een Nederlands georiënteerd bedrijf gemakkelijker is om de juiste media-aandacht te krijgen met een Nederlandse notering.

De Engelse en Franse markt kenmerken zich door een groot aantal kranten, magazines en andere media-outlets, hetgeen de kans op media-aandacht voor de onderneming positief beïnvloedt. Maar het feit dat er aan LSE evenzoveel meer bedrijven genoteerd zijn, doet dit voordeel ongetwijfeld weer teniet. Zeker voor een Nederlandse onderneming.

Het ons-kent-ons-principe is hier zeker geldig. Daarom ben ik ervan overtuigd dat het merendeel van de Nederlandse ondernemingen voor wat betreft media-aandacht beter af is met een notering aan de Nederlandse beurs.

Hetzelfde geldt voor de brokerskant. Wanneer een bedrijf niet de omvang en schaal heeft waarbij sectorspecialisten van grote internationale brokers erin geïnteresseerd zijn het te volgen en research te publiceren, zal het zich moeten richten op meer generalistische small- & midcap-analisten van meer nationaal georienteerde effectenhuizen. Als Nederlands bedrijf sta je bij lokale/nationale brokers eerder op de radar als je genoteerd bent aan Euronext Amsterdam.

Ook voor reeds beursgenoteerde bedrijven is de keuze van de beurs een actueel punt. Waar vele jaren terug een extra notering hielp bij het verbreden van de aandeelhoudersbasis, is dat met de toenemende internationalisering van de effectenhandel vandaag de dag niet meer nodig.
TNT heeft recentelijk de notering aan een flink aantal beurzen gestaakt (Frankfurt, Londen, New York), terwijl andere Nederlandse bedrijven zoals Ahold, Akzo, Arcadis, BESI, OCE – toch niet de minste – specifiek hun Amerikaanse notering hebben beeindigd.

Als reden wordt vaak verwezen naar de hoeveelheid voorwaarden en verplichtingen die hierbij komt kijken. Met de kosten voor alle additionele compliance in het achterhoofd zou het zou mij niks verbazen als meer grote Nederlandse ondernemingen besluiten hun Amerikaanse notering op te geven.

Misschien maken we ons echter wel veel te druk. Als de consolidatie van beurzen in het huidige tempo doorgaat, valt er binnenkort geen keuze meer te maken.


JOSÉ TIJSSEN is managing director van Citigate First Financial